Bewijslast bij buitenlandse vaste inrichting: Hof bevestigt strikte voorwaarden voor belastingvrijstelling
4.2.2026
Het Hof van Beroep in Antwerpen heeft in een arrest van 25 november 2025 bevestigd dat ondernemingen die winsten willen toewijzen aan een buitenlandse vaste inrichting om zo een Belgische belastingvrijstelling te verkrijgen, een zware en overtuigende bewijslast dragen.
In de zaak verklaarde de Belgische vestiging van een Amerikaans oliebedrijf dat zij een vaste inrichting in de vrijhandelszone van Dubai had en wees zij ongeveer 35 miljoen EUR winst daaraan toe. De fiscus achtte de voorgelegde bewijzen onvoldoende – een oordeel dat door het Hof werd bevestigd.
Volgens het Hof zijn ondernemingen in principe in België belastbaar op hun volledige wereldwijde inkomsten. Alleen wanneer een belastingplichtige duidelijk aantoont dat bepaalde winsten door een vaste inrichting in een verdragsland zijn gerealiseerd, komt een vrijstelling in aanmerking. Uit een steekproef van 60 facturen bleek echter niet dat de vermeende vestiging in Dubai daadwerkelijk betrokken was bij de verkopen in Afrika en het Midden‑Oosten.
Aangezien de belastingplichtige zijn bewijslast niet inloste, blijft het heffingsrecht overeenkomstig artikel 7.1 van de dubbelbelastingverdrag bij België. De eerder als vrijgesteld aangegeven winst werd daarom terecht belast in België. Het arrest maakt duidelijk dat interne toewijzingen of papieren verantwoordelijkheden niet volstaan: enkel aantoonbare economische activiteit van de buitenlandse vaste inrichting is relevant.